| - | |
advocaat te Breda |
| - | |
lid stedelijke raad van Breda, van 1838 tot 1851 |
| - | |
griffier rechtbank van eerste aanleg te Breda, van 1838 tot mei 1852 |
| - | |
buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Noord-Brabant, van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 |
| - | |
lid Raad van State in buitengewone dienst, omstreeks 1848 tot 3 juni 1859 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Noord-Brabant, van 21 oktober 1844 tot 17 oktober 1847 |
| - | |
lid Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, van 17 maart 1848 tot 11 april 1848 |
| - | |
buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Noord-Brabant, van 18 september 1848 tot 7 oktober 1848 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Breda, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Breda, van 7 oktober 1850 tot 11 mei 1852 |
| - | |
lid gemeenteraad van Breda, van 1851 tot 3 juni 1859 |
| - | |
burgemeester van Breda, van mei 1852 tot 1853 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Breda, van 11 juli 1852 tot 26 april 1853 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Breda, van 27 juni 1853 tot 3 juni 1859 |
| - | |
Stemde in 1840 met 10 anderen tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening |
| - | |
Eén der "Negenmannen" die in 1844 een initiatiefwetsvoorstel over Grondwetsherziening indienden |
| - | |
Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen. |
| - | |
Voerde in 1848 als lid van de Dubbele Kamer het woord bij de algemene beschouwingen over de Grondwetsherziening en bij de behandeling van de hoofdstukken V (Justitie) en VIII (Defensie) |
| - | |
Stemde in 1848 vóór alle voorstellen tot Grondwetsherziening |
| - | |
Sprak in de Tweede Kamer na 1848 vooral over buitenlandse zaken en financiën |