| - | |
advocaat te Utrecht, vanaf 1811 |
| - | |
substituut-Officier van Justitie te Utrecht, van 1825 tot 1828 |
| - | |
substituut-advocaat-fiscaal bij het Hoog Militair Gerechtshof, van 1828 tot 1841 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Utrecht, van 20 oktober 1840 tot 13 februari 1849 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Utrecht, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850 |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 februari 1849 tot 20 augustus 1850 (benoemd bij K.B. van 17 febr. 1849) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Utrecht, van 7 oktober 1850 tot 26 april 1853 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Utrecht, van 14 juni 1853 tot 12 maart 1858 |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 september 1856 tot 11 maart 1858 |
| - | |
minister van Buitenlandse Zaken, van 5 maart 1858 tot 23 februari 1860 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amersfoort, van 10 juli 1860 tot 1 oktober 1866 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amersfoort, van 19 november 1866 tot 3 januari 1868 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amersfoort, van 25 februari 1868 tot 20 september 1869 |
| - | |
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Utrecht, van 22 december 1870 tot 17 februari 1872 |
| - | |
lid Ridderschap van Utrecht, vanaf 1815 |
| - | |
plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eerste aanleg, van 27 november 1822 tot 1825 |
| - | |
lid College van Curatoren Hogeschool te Utrecht, van 1841 tot 1859 |
| - | |
lid Staatscommissie pensioenen voor burgerlijke ambtenaren en hun weduwen en wezen, vanaf september 1844 |
| - | |
kabinetsformateur, 22 oktober 1849 (poging mislukte) |
| - | |
kabinetsformateur, van 3 maart 1858 tot 18 maart 1858 (samen met Rochussen) |
| - | |
kabinetsformateur (samen met Van Reenen), 1862 (poging mislukte) |
| - | |
lid Staatscommissie voor het hoger onderwijs |
| - | |
functies Hogeschool Harderwijk |
| - | |
Deskundige in de Tweede Kamer op het gebied van het internationale recht |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 25 leden die tegen de ontwerp-wet inzake de (vrijwillige) geldlening en buitengewone belasting op bezittingen stemden. Het voorstel werd met 32 tegen 25 stemmen aangenomen. |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 15 leden die tegen een aanvulling van de instructie aan de Algemene Rekenkamer stemden, omdat die tot onvoldoende verbetering van het toezicht zou leiden |
| - | |
Beantwoordde in 1844 de vraag of er vanuit de Tweede Kamer een voorstel tot Grondwetsherziening moest worden gedaan met "ja" |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening |
| - | |
Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de dertien leden die vóór het (verworpen) wetsvoorstel tot intrekking van de accijns op het gemaal van rogge stemde |
| - | |
Stemde in 1848 tegen de hoofdstukken I, III (van de Staten-Generaal), V, VII en IX van de nieuwe Grondwet |
| - | |
Behoorde in 1860 tot de meerderheid die tegen de begroting van Koloniën van de conservatieve minister Rochussen stemde |
| - | |
Interpelleerde in 1862 minister Thorbecke over de vorming van het op 1 februari opgetreden kabinet |
| - | |
Stemde in 1866 tegen de motie-Keuchenius en in 1867 vóór de begroting van Buitenlandse Zaken |
| - | |
Stemde in 1868 tegen de motie-Blussé van Oud-Alblas |
| - | |
Min of meer toevallig door Staten van Utrecht tot lid Tweede Kamer gekozen in 1840 |
| - | |
Versloeg in september 1849 bij de voordracht voor het Kamervoorzitterschap Thorbecke met 31 tegen 29 stemmen |
| - | |
Werd in september 1855 als tweede op de voordracht voor het Tweede Kamervoorziterschap gezet |
| - | |
Werd in september 1860, 1861, 1862, 1863, 1866 en in februari 1868 als derde op de voordracht voor het Tweede-Kamervoorzitterschap gezet |
| - | |
Herhaaldelijk genoemd als minister (justitie, buitenlandse zaken) bij pogingen tot reconstructie kabinet-De Kempenaer-Donker Curtius; en in 1856 |
| - | |
Levensbericht door N.F. van Nooten, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1873, 69 |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel I, 952 |
| - | |
M.W. Jurriaanse, "De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken 1813-1900" |
| - | |
G.J. Hooykaas, "J.K. van Goltstein", in: "Utrechtse Biografieën", deel IV, 88 |