| - | |
tweede luitenant der infanterie, van 13 oktober 1892 tot oktober 1896 |
| - | |
docent Militaire School te Haarlem, van 1895 tot 1897 |
| - | |
docent KMA (Koninklijke Militaire Academie) te Breda, van september 1898 tot 1908 (tevens verbonden aan de lithografie van die Academie) |
| - | |
onderdirecteur Topografische Inrichting, van 1908 tot 1 april 1913 |
| - | |
directeur Topografische Inrichting, van 1 april 1913 tot juli 1921 |
| - | |
minister van Oorlog, van 28 juli 1921 tot 4 september 1925 |
| - | |
minister van Marine ad interim, van 28 juli 1921 tot 18 september 1922 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 18 september 1922 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 15 september 1925 tot 24 juni 1937 |
| - | |
waarnemend voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 april 1936 tot 7 mei 1936 (na het overlijden van Ruijs de Beerenbrouck) |
| - | |
minister van Defensie, van 24 juni 1937 tot 9 augustus 1939 |
| - | |
geïnterneerd gevangenis te Scheveningen, vanaf 1 april 1943 |
| - | |
geïnterneerd gijzelaarskamp te Haaren, 1943 |
| - | |
geïnterneerd gevangenenkamp te Dachau, van 1943 tot april 1945 |
| - | |
geïnterneerd gevangenenkamp te Niederdorf (Oost.), van april 1945 tot 1945 |
| - | |
voorzitter Nederlandsche Militaire Bond |
| - | |
voorzitter Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen in Zeeland |
| - | |
lid College van Regenten Gevangenis te Middelburg, van 29 januari 1921 tot mei 1934 |
| - | |
voorzitter Nationaal Christelijke Officierenvereeniging, tot 1921 |
| - | |
voorzitter en lid Vlootcommissie, van 1921 tot juni 1937 |
| - | |
tweede voorzitter Vereeniging voor hooger onderwijs op Gereformeerde grondslag (Vrije Universiteit) |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de radio-omroep (Staatscommissie-Ruijs de Beerenbrouck), vanaf 15 oktober 1925 |
| - | |
voorzitter Koninklijke Vereeniging "Ons Leger", van december 1925 tot juni 1937 |
| - | |
directeur Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerde grondslag (Vrije Universiteit), van 1929 tot 1949 |
| - | |
voorzitter vereniging krankzinnigen-gesticht "Vrederust" te Bergen op Zoom, tot juni 1937 |
| - | |
voorzitter Rudolphstichting te Achterveld (Utr.), tot juni 1937 |
| - | |
lid Raad van Commissarissen dagblad "De Standaard" |
| - | |
voorzitter Stichting Oorlogsschade, vanaf november 1940 |
| - | |
lid Politiek Convent (tijdens de Tweede Wereldoorlog) |
| - | |
lid Grootburgercomité, van 1942 tot 1 april 1943 (defensiespecialist van het Nationaal Comité van het Grootburgercomité) |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor Openbare Werken, Waterstaats- en Verkeersaangelegenheden (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1925 tot september 1929 |
| - | |
lid Huishoudelijke Commissie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1933 tot juli 1937 |
| - | |
lid vaste commissie voor Buitenlandse Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van juli 1933 tot juli 1937 |
| - | |
lid bijzondere commissie van onderzoek naar de affaire-Spoorhout (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van december 1933 tot mei 1935 (onduidelijke houtlevering door de N.V. Spoorhout aan de Nederlandse Spoorwegen) |
| - | |
lid vaste commissie voor Indische Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 1935 tot juli 1937 |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor de Rijksuitgaven (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1936 tot juni 1937 |
| - | |
Was in november 1921 eerste ondertekenaar van de ontwerp-Vlootwet. Dat ontwerp behelsde de bouw van een marinevloot met een kern van zestien onderzeeboten, twee kruisers, twee onderzeebootmijnenleggers, twaalf jagers en vier flottieljevaartuigen, alsmede honderd vliegtuigen. De kosten hiervan werden over zes jaar verdeeld. Het wetsvoorstel zou in 1923 worden verworpen door de Tweede Kamer. |
| - | |
Als minister van Defensie in het kabinet-Colijn IV bevorderde hij onder meer de aanleg van de vliegvelden Bergen en Soesterberg, zette hij zich in voor aanschaf van afweergeschut en gaf hij uitvoering aan het Vlootplan-Deckers |
| - | |
Ontwierp in 1937 een schema voor doel en organisatie van de economische en industriële verdedigingsvoorbereiding (onder voedselvoorziening, voorraadvorming van munitie, wapenen etc.) |
| - | |
Bracht in 1922 de Dienstplichtwet tot stand. Deze bepaalde het contingent op 19.500 man, waarvan er 1000 voor de zeedienst bestemd werden. De inlijving geschiedde door loting. Degenen die waren uitgeloot, werden buitengewoon dienstplichtig en slechts opgeroepen in geval van oorlog. De duur van de eerste oefening bij de landmacht werd vijfenhalve maand, bij de zeedienst acht maanden. De dienstplicht duurde van het negentiende tot het vijfendertigste jaar. Bekleders van geestelijke ambten of zij die daarvoor in opleiding waren, werden vrijgesteld van dienstplicht. |
| - | |
Bracht in 1922 de Militaire Pensioenwet tot stand. Hierdoor kregen ook onderofficieren een pensioenvoorziening. |
| - | |
Bracht in 1923 samen met minister Heemskerk de Dienstweigeringswet tot stand, waardoor dienstweigering op godsdienstige gronden mogelijk werd (waarvoor in de plaats een jaar extra dienstvervanging moest worden gedaan) |
| - | |
Bracht in 1925 samen met minister Van Swaaij een wet tot stand over het aanbrengen van verdedigingswerken bij de afsluitdijk |
| - | |
Bracht in 1938 een wijziging van de Dienstplichtwet tot stand, waarbij de dienstplicht werd verlengd tot elf maanden en het jaarlijks contigent dat werd opgeroepen werd verhoogd tot 32.000 man |