| - | |
tweede luitenant der eerste regiment dragonders, van 8 december 1813 tot 20 oktober 1814 (eervol ontslag) |
| - | |
ambteloos, wijdde zich aan de dichtkunst, vanaf 1815 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Gelderland voor de landelijke stand (Zaltbommel), van 6 juli 1824 tot oktober 1829 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Gelderland, van 19 oktober 1829 tot 13 februari 1849 |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 20 oktober 1841 tot oktober 1842 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Zaltbommel, van 13 februari 1849 tot 3 mei 1849 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Arnhem, van 12 februari 1850 tot 20 augustus 1850 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Arnhem, van 7 oktober 1850 tot 8 oktober 1852 |
| - | |
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Gelderland, van 29 oktober 1852 tot 9 februari 1860 |
| - | |
houtvester |
| - | |
dijkgraaf waterschap Tielerwaard |
| - | |
vicepresident Societé de bienfaisance et de secours te Parijs, 1843 |
| - | |
lid commissie van het onderwijs in Gelderland, vanaf 1829 |
| - | |
schoolopziener achtste district Gelderland, vanaf 1829 |
| - | |
commissaris Nederlandsche Maatschappij van brandverzekering te Tiel, vanaf 1835 |
| - | |
houtvester eerste jachtdistrict, derde afdeling, vanaf 1840 |
| - | |
voorzitter commissie voor de plechtige onthulling van het standbeeld van koning willem I te 's-Gravenhage, vanaf 1853 |
| - | |
voorzitter vereniging Sint Hubertus, vanaf 1853 |
| - | |
voorzitter Nederlansche Rhijnspoorcommissie, vanaf 1853 |
| - | |
Pleitte in 1830 met Warin en Van Lynden van Hoevelaken als enige Noord-Nederlander voor spoedige grondwetsherziening. Beantwoordde de vraag of tot scheiding van Noord en Zuid moest worden overgegaan echter met "neen". |
| - | |
Behoorde in 1832 tot de minderheid die vóór een wetsvoorstel tot verhoging van de accijns op turf stemde. Het wetsvoorstel werd met 34 tegen 15 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1833 tot de 16 leden die tegen de begroting 1834/1835 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen. |
| - | |
Behoorde in 1835 tot de 15 leden die tegen de begroting 1836/1837 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen. |
| - | |
Behoorde in 1837 tot de 21 leden die tegen de begroting 1838/1839 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen. |
| - | |
Behoorde in 1839 tot de 14 leden die tegen de voorlopige begroting 1840 stemden |
| - | |
Stelde in januari 1840 met vier anderen aan de Tweede Kamer voor om de gewenste wijzigingen van de Grondwet in de vorm van een wetsvoorstel aan de koning aan te bieden |
| - | |
Was in 1840 als enige in de Tweede Kamer voorstander van afschaffing van de doodstraf |
| - | |
Stemde in 1840 met 10 anderen tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 25 leden die tegen de ontwerp-wet inzake de (vrijwillige) geldlening en buitengewone belasting op bezittingen stemden. Het voorstel werd met 32 tegen 25 stemmen aangenomen. |
| - | |
Eén der "Negenmannen" die in 1844 een initiatiefwetsvoorstel over Grondwetsherziening indienden |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de meerderheid die tegen een wetsvoorstel stemde over het doen van huiszoekingen in het kader van de accijns op vlees. Het wetsvoorstel werd met 27 tegen 26 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen. |
| - | |
Stemde in 1848 bij de eerste lezing tegen de hoofdstukken IV (Prov. Staten en Gemeentebesturen), VI (Godsdienst) en VIII (Defensie) van de Grondwetsherziening; stemde bij de tweede lezing vóór alle wetsvoorstellen. |
| - | |
Voerde in het parlement over 367 wetsvoorstellen het woord |
| - | |
Levensbericht door J.H. Burlage, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1860, 272 |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel I, 684 |
| - | |
R.M.J.F. Meeuws, scriptie Staatkundig-Historische Studiën, RU Leiden |
| - | |
W. Verkade, "Thorbecke als Oost-Nederlandse patriot", pp. 134-135 |