| - | |
fabrikant te Weesp |
| - | |
advocaat te Amsterdam, van 1833 tot 1845 |
| - | |
hoofdcommies afdeling in- en uitvoerrechten, ministerie van Financiën, van 1845 tot 1848 |
| - | |
hoofd afdeling in- en uitvoerrechten (rang: referendaris), ministerie van Financiën, van 1848 tot juni 1848 |
| - | |
lid Raad van State, van 3 juni 1848 tot 21 november 1848 |
| - | |
tijdelijk minister van Financiën, van 3 juni 1848 tot 21 november 1848 |
| - | |
minister van Financiën, van 21 november 1848 tot 19 april 1853 |
| - | |
(voorlopig) minister voor de Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke, van 15 juli 1852 tot 19 april 1853 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Rotterdam, van 14 juni 1853 tot 12 maart 1858 |
| - | |
lid gemeenteraad van 's-Gravenhage, van 1 september 1857 tot 29 juni 1858 |
| - | |
minister van Financiën, van 12 maart 1858 tot 22 februari 1860 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Zutphen, van 30 april 1860 tot 10 februari 1866 |
| - | |
minister van Financiën, van 10 februari 1866 tot 1 juni 1866 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Dordrecht, van 25 februari 1868 tot 3 juni 1868 |
| - | |
minister van Financiën, van 3 juni 1868 tot 4 januari 1871 |
| - | |
minister voor de Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke, van 4 juni 1868 tot 29 juli 1870 |
| - | |
minister van Koloniën, van 4 januari 1871 tot 6 juli 1872 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken ad interim, van 5 juni 1872 tot 6 juli 1872 |
| - | |
minister van Koloniën, van 3 november 1877 tot 21 februari 1879 |
| - | |
Stelde in 1848 al voor een beperkte inkomstenbelasting in te voeren, maar kreeg hiervoor geen steun |
| - | |
Diende in 1851 een wetsvoorstel in tot invoering van een rentebelasting. Dit voorstel werd in maart 1852 ingetrokken, nadat de Tweede Kamer artikel 3 had verworpen. |
| - | |
De Eerste Kamer verwierp in 1852 met algemene stemmen zijn wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het zegelrecht |
| - | |
De Eerste Kamer verwierp in 1859 zijn ontwerp-In- en Uitvoerwet vanwege de vrees dat vrijhandel nadelig zou zijn voor de binnenlandse markt |
| - | |
Diende in 1869 een wetsvoorstel in om de Raad van State te belasten met de beroepsrechtspraak in belastingzaken; dit voorstel werd in 1870 door de Tweede Kamer verworpen |
| - | |
Diende in 1870 een wetsvoorstel in tot invoering van een inkomstenbelasting en tot opheffing van de patentbelasting; dit voorstel werd in 1871 door zijn opvolger ingetrokken |
| - | |
Benoemde in 1871 J. Loudon tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië |
| - | |
Bracht in 1850 wetten tot stand inzake de regeling van de belangen der Nederlandse scheepvaart, tot afschaffing van de rechten van doorvoer, en tot staking van de heffing der scheepvaartsrechten op den Rijn en IJssel, alsmede tot wijziging van de wet uit 1819 inzake zeebrieven en Turksche paspoorten. Daarbij werden de doorvoer- en scheepvaartrechten en vrijwel alle Rijn- en IJsseltollen afgeschaft en werd het verlenen van zeebrieven aan in het buitenland gebouwde schepen verboden. |
| - | |
Bracht in 1850 een Muntwet tot stand, waarbij de zilveren standaard werd ingevoerd (het stelsel van stuivers, dubbeltjes, kwartjes, halve guldens, guldens en rijksdaalders). Er werd een Nuntcollege van drie leden ingesteld, dat toezicht hield op de muntslag en de waarborg van gouden en zilveren werken. |
| - | |
Bracht in 1852 een wet tot afschaffing van de accijns op varkens- en schapenvlees tot stand |
| - | |
Bracht in 1852 de Postwet tot stand, die de Staat het monopolie bij de post verleende en frankering met postzegels mogelijk maakte |
| - | |
Bracht in 1859 de Wet inzake successie en opvolging tot stand. Op grond van deze wet werd bij een erfenis door echtgenoot, broeder of zuster 4 procent aan successierechten geheven en bij overgang van eigendom op echtgenoot of kinderen daarenboven 1 procent aan overgangsrecht. De overgang van effecten werd met 1 procent overgangsrecht belast, maar in rechte lijn en voor kinderen met echtgenotener is er daarvoor een vrijstelling. |
| - | |
Bracht in 1869 de wet tot afschaffing van het zegelrecht op gedrukte stukken en adverteniën in nieuwspapieren (dagbladzegel) tot stand. Door afschaffing van deze belasting konden dagbladen in prijs worden verlaagd. Koning Willem III, die bevreesd was voor politieke onruststokerij door dagbladen, probeerde tevergeefs de Eerste Kamer te bewegen het wetsvoorstel te verwerpen. |
| - | |
Bracht in 1870 de Wet op de grondbelasting tot stand. De bestaande, ingewikkelde regels voor de grondbelasting werden gecodificeerd en er vond een hertaxatie plaats van de bebouwde eigendommen. |
| - | |
Versloeg 1853 in het district Rotterdam na herstemming A. Hoynck van Papendrecht (lib.) en J.C. Rijk (cons.). Werd samen met Baud gekozen. |
| - | |
Was in 1853 samen met W.H. Dullert verliezend kandidaat in het district Arnhem (tegenstanders waren W. baron van Lynden en Æ. baron Mackay) |
| - | |
Was in 1853 samen met J.R. Thorbecke verliezend kandidaat in het district Leiden (tegenstanders waren jhr. D.Th. Gevers van Endegeest en P.H. baron van Taets van Amerongen) |
| - | |
Werd in 1853 in het district Amsterdam na herstemming verslagen door H. Stolte, J. Bosscha en J.C. Baud |
| - | |
Werd in 1856 in het district Rotterdam in de eerste stemmingsronde gekozen. Tegenstanders die niet werden gekozen, waren jhr. W.Th. Gevers Deynoot en J.J.L. van der Brugghen. |
| - | |
Versloeg in 1860 bij tussentijdse verkiezingen in het district Zutphen onder anderen H.A. ridder van Rappard (cons.) |
| - | |
Werd in 1860 bij de periodieke verkiezingen met 73 procent van de stemmen gekozen (tegenstanders waren F.W.J. baron van Pallandt en H.A. ridder van Rappard) |
| - | |
Versloeg in 1864 onder anderen H.J. Swaving |
| - | |
Werd in 1866 bij de periodieke verkiezingen in het district Gorinchem verslagen door W.C.M. Begram (cons.) |
| - | |
Was in 1866 bij de algemene verkiezingen verliezend kandidaat in het district Gouda (tegenstanders waren M.A.F.H. Hoffmann en jhr. W.M. de Brauw) |
| - | |
Was in 1866 bij de algemene verkiezingen verliezend kandidaat in het district Delft (tegenstanders waren J. van Kuyk en C. Hoekwater) |
| - | |
Werd in 1866 bij de algemene verkiezingen in het district Gorinchem na herstemming verslagen door G. Simons (cons.) |
| - | |
Was in 1868 bij de algemene verkiezingen verliezend kandidaat in het district Gouda (tegenstanders waren M.A.F.H. Hoffmann en jhr. W.M. de Brauw) |
| - | |
Werd in 1868 in het district Dordrecht in de eerste stemmingsronde gekozen. Tegenkandidaten die niet werden gekozen, waren onder anderen M. Bichon van IJsselmonde en G. Groen van Prinsterer (beiden a.r.). |
| - | |
Werd in 1877 bij de periodieke verkiezingen in het district Gouda verslagen door M. Bichon van IJsselmonde (a.r.) |