![]() |
voornamen |
personalia |
partij/stroming |
loopbaan |
| - | werkzaam op een notariskantoor te Wijchen (vanaf 15e jaar) | |
| - | werkzaam in bedrijf vader (olieslagerij) te Breda | |
| - | firmant koffie- en aardappelstroopfabriek firma "Gebr. Betz" te Kralingen, van 1837 tot 1859 (in 1848 verplaatst naar Delfshaven) | |
| - | lid gemeenteraad van Rotterdam, van 15 september 1853 tot 11 augustus 1859 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Rotterdam, van 15 februari 1859 tot 1 februari 1862 | |
| - | minister van Financiën, van 1 februari 1862 tot 27 november 1865 | |
| - | minister van Koloniën ad interim, van 3 januari 1863 tot 1 februari 1863 | |
| - | lid Provinciale Staten van Zuid-Holland voor het kiesdistrict Rotterdam, van 1867 tot 20 mei 1868 |
nevenfuncties |
| - | president Burgerlijk Armbestuur te Rotterdam, omstreeks 1855 | |
| - | redacteur tijdschrift "Bijdragen tot de kennis van staats-, provinciaal- en gemeentebestuur van Nederland", vanaf 1857 (samen met J.A. Fruin en P.F. Hubrecht) | |
| - | redacteur "Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië", vanaf 1866 |
opleiding |
| - | opleiding Instituut "Provily" te Moerdijk en IJsselstein |
activiteiten |
| - | Sprak in de Tweede Kamer vooral over financiële zaken (belastingen, kosten aanleg spoorwegen, douanetarieven en pensioenen) | |
| - | Interpelleerde in 1861 de regering over het aftreden van minister Van Hall |
| - | Schafte in 1863 de accijns op turf en steenkool af |
| - | Bracht in 1862 de wet tot vaststelling van het tarief van regten op de in-, uit- en doorvoer tot stand, Hierdoor werd een algemeen vrijhandelstarief ingesteld. | |
| - | Bracht in 1863 de wetten inzake het Tiendrecht en het Kroondomein tot stand | |
| - | Bracht in 1863 een wettelijke regeling voor de Nederlandsche Bank tot stand, waarbij deze (steeds voor 25 jaar) als circulatiebank werd aangewezen. De bank werd een N.V. die haar hoofdzetel in Amsterdam had. Daarnaast kwam er een bijbank in Rotterdam en kwamen er in alle provincies agentschappen. Van regeringswege hield een koninklijke commissaris toezicht op de directie. | |
| - | Bracht in 1865 een wettelijke regeling voor de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten tot stand. De gemeentelijke accijnzen werden afgeschaft en in ruil daarvoor kregen gemeenten vier vijfden van de opbrengsten van de Personele belasting. |
wetenswaardigheden |
| - | Trad af vanwege de Limburgse brievenkwestie. Een vertrouwelijk schrijven van het Limburgse Tweede-Kamerlid Van der Maessen de Sombreff werd openbaar gemaakt. De indruk was ontstaan dat Betz de voorgenomen verhoging van de grondbelasting in Limburg wilde laten rusten tot na de verkiezingen. |
| - | Was vrijwel geheel autodidact | |
| - | Wijdde zich na 1859 voornamelijk aan studie | |
| - | Zijn vader was koopman/broodbakker en olieslager |
| - | Versloeg in 1859 E.J.A. graaf van Bylandt (lib.) | |
| - | Werd in 1866 in het district Leiden verslagen door P.H. baron van Taets van Amerongen (cons.) |
publicaties/bronnen |
| - | W.R. van Höevell, "Een blik op het leven van Gerardus Henri Betz" (Zaltbommel, 1868) (De publicatie bevat onder andere een lijst van geschriften van Betz) | |
| - | Maureen Callahan, "The harbor barons: political and commercial elites and the development of the port of Rotterdam, 1824-1892" (Ann Arbor, 1986) vol. 2, 011 | |
| - | Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel VII, 113 | |
| - | N. Cramer, "Wandelingen door de Handelingen" | |
| - | Ned. Patriciaat, 1917 |
familie/gezin |
| personalia |
||
| partij/stroming |
||
| loopbaan |
||
| nevenfuncties |
||
| opleiding |
||
| activiteiten |
||
| wetenswaardigheden |
||
| publicaties/bronnen |
||
| familie/gezin |
||